Een algemeen en absoluut verbod op alle reclame voor mond- en tandverzorging is onverenigbaar met het Unierecht.
 
Aangemaakt op: 2017-05-06
Een algemeen en absoluut verbod van alle reclame gaat volgens het Hof echter verder dan wat noodzakelijk is om de nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken. Die doelstellingen zouden kunnen worden bereikt door middel van minder beperkende maatregelen die – in voorkomend geval strikt – afbakenen welke vormen van communicatie tandartsen op welke wijze mogen gebruiken.

De doelstellingen van bescherming van de volksgezondheid en van de waardigheid van het beroep van tandarts kunnen wel een afbakening van de vorm en wijze van communicatie door tandartsen rechtvaardigen.

Tandarts X., een in België gevestigde tandarts, heeft reclame voor tandheelkundige zorg gemaakt. Tussen 2003 en 2014 stond er voor zijn praktijk een aankondigingsplaat die bestond uit drie bedrukte delen, met daarop zijn naam, de vermelding dat hij tandarts is, het adres van zijn website en het telefoonnummer van zijn praktijk. Daarnaast heeft hij een website opgezet om patiënten te informeren over de verschillende soorten behandelingen die hij in zijn praktijk aanbiedt. Tot slot heeft hij advertenties in lokale dagbladen geplaatst.

Naar aanleiding van een klacht van het Verbond der Vlaamse tandartsen, een beroepsvereniging van tandartsen, is tandarts X. strafrechtelijk vervolgd. Het Belgische recht verbiedt immers alle reclame voor mond- en tandverzorging op absolute wijze en bevat vereisten van bescheidenheid waaraan het publieke uithangbord van een tandartspraktijk moet voldoen.

Ter verdediging voert tandarts X. aan dat de betrokken Belgische regels in strijd zijn met het Unierecht, onder meer met de richtlijn inzake elektronische handel en de in het VWEU neergelegde vrijheid van dienstverrichting . De Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, strafzaken, waarbij de zaak aanhangig is, heeft het Hof van Justitie hierover prejudiciële vragen gesteld.
In zijn arrest van vandaag oordeelt het Hof dat de richtlijn inzake elektronische handel zich verzet tegen een wettelijke regeling zoals de Belgische, waarbij alle commerciële communicatie via elektronische weg ter promotie van mond- en tandverzorging wordt verboden, ook die door middel van de website van een tandarts.

Volgens het Hof kunnen beroepsregels immers de inhoud en de vorm van commerciële communicatie afbakenen, maar mogen zij niet op algemene en absolute wijze elke vorm van online reclame gericht op de promotie van de activiteit van een tandarts verbieden.

Bovendien verzet de vrijheid van dienstverrichting zich tegen een nationale wettelijke regeling waarbij alle reclame voor mond- en tandverzorging op algemene en absolute wijze wordt verboden.
In dat verband is het Hof van oordeel dat een reclameverbod voor een bepaalde activiteit voor de personen die deze activiteit uitoefenen, de mogelijkheid beperkt om bekendheid te verwerven bij potentiële klanten en de diensten te promoten die zij aan hen wensen aan te bieden. Een dergelijk verbod beperkt dus de vrijheid van dienstverrichting.

Het Hof erkent dat de doelstellingen van de betrokken wettelijke regeling, namelijk bescherming van de gezondheid en de waardigheid van het beroep van tandarts, dwingende vereisten van algemeen belang zijn die een beperking van de vrijheid van dienstverrichting kunnen rechtvaardigen. Een intensief gebruik van reclame of een keuze voor reclameboodschappen die agressief zijn of de patiënt zelfs zouden kunnen misleiden over de aangeboden zorg, kan de bescherming van de gezondheid immers schaden en afbreuk doen aan de waardigheid van het beroep van tandarts, doordat het imago van dit beroep wordt beschadigd, de relatie tussen tandarts en patiënt verandert en de verstrekking van niet-adequate en onnodige zorg in de hand wordt gewerkt.

Een algemeen en absoluut verbod van alle reclame gaat volgens het Hof echter verder dan wat noodzakelijk is om de nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken. Die doelstellingen zouden kunnen worden bereikt door middel van minder beperkende maatregelen die – in voorkomend geval strikt – afbakenen welke vormen van communicatie tandartsen op welke wijze mogen gebruiken.


Commentaar VBT : 
Het Europese hof heeft geantwoord op vragen die door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel werden gesteld. De zaak dient nu verder voor deze laatste rechtbank te worden gepleit en beslecht. 

Het Europese Hof vindt een algemeen en absoluut verbod van alle reclame niet kunnen. Het verbieden van bijvoorbeeld een website, is voor het Europees Hof een brug te ver. 

Het Hof vermeldt ook duidelijk dat een EU lidstaat het recht heeft om beperkingen op te leggen aan de publiciteit, ter bescherming van de Volksgezondheid en de waardigheid van het beroep. Een website kan dus, maar België heeft het recht om de informatie die hierop vermeld staat wettelijk te beperken. Het Verbond der Vlaamse Tandartsen (VVT) wil graag als enige partij regels en normen opleggen. Ze doen dit onder de vorm van een “ethische commissie” die ze zelf in het leven hebben geroepen. 

VBT pleit al sedert haar ontstaan in 2000 voor een modernisering van de voorbijgestreefde wetgeving op reclame, alsook voor een Orde van Tandartsen waarin vertegenwoordigers van alle beroepsverenigingen paritair vertegenwoordigd zijn. Op die manier kan, samen met de overheid, een deontologische code worden opgesteld die op een onpartijdige en niet vooringenomen manier voor het hele land kan ingesteld worden. Belangrijk hierin is dat deze deontologische code dan niet “afgedwongen” dient te worden onder dreigementen met rechtszaken, maar eerder de tandartsen moet begeleiden naar een beter begrip ervan.

Dringend moeten nieuwe richtlijnen uitgeschreven te worden en vragen we de tandartsen in de tussenperiode de huidige wetgeving nog in acht te nemen. VBT heeft reeds contact opgenomen met het kabinet van minister De Block om zo vlug mogelijk gesprekken te starten



Terug naar overzicht